dinsdag 28 april 2020

Eindopdracht

Voor de eindopdracht van de module digitale didactiek heb ik twee lessen in LessonUp gemaakt over signaalwoorden en tekstverbanden. Ik heb de lessen afgesloten met een Quizizz waarin ik de kennis van leerlingen over signaalwoorden en tekstverbanden via meerkeuzevragen heb getoetst.

De lessenserie zag er als volgt uit. Ik heb de leerlingen eerst een open vraag gesteld, via LessonUp, waardoor ik dus van elke leerling input kreeg over het onderwerp. Deze vraag heb ik voorafgaand de lessenserie gesteld waardoor ik dus inzicht kreeg in wat ik moest behandelen en hoe. In de les zelf heb ik eerst de theorie behandeld en daarna leerlingen met meerkeuzevragen getoetst wat ze hadden onthouden van de theorie. Doordat je in LessonUp kunt zien wie welke vraag goed beantwoord heeft, heb je ook meteen een inzicht in welke leerlingen extra uitleg nodig hebben. Daarna heb ik leerlingen een huiswerkopdracht meegegeven, uit een actuele tekst moesten zij de signaalwoorden halen en het juiste tekstverband er aan koppelen.

In de tweede les heb ik weer inzicht gekregen in de kennis van de leerlingen door via open vragen te achterhalen wat ze nog hadden onthouden. Weer viel het me op dat het prettig is dat je met LessonUp meteen ziet wie wat voor antwoord geeft. Daarna heb ik de antwoorden van de huiswerkopdracht besproken met een rad, leerlingen wisten dus niet of ze aan de beurt waren. Daarna gingen ze aan de slag met het huiswerk uit het boek.

In de derde les heb ik de kennis van de leerling getoetst met behulp van een Quizizz. Dit is een online tool waar op een game-achtige manier meerkeuzevragen gesteld kunnen worden aan leerlingen. Je kunt een maximale tijd verbinden per vraag en het grote voordeel is dat de vragen door elkaar gehusseld worden, leerling A krijgt dus de vragen in een andere volgorde dan leerling B. Leerlingen die veel vragen goed beantwoorden krijgen power-ups, dat geeft ze de mogelijkheid om als ze een fout gemaakt hebben die ongedaan te verklaren, zo behouden ze hun reeks van goede antwoorden. Als leerlingen veel fouten maken, krijgen ze natuurlijk geen power-ups.

Wat ik sterk vind aan mijn lessenserie is dat ik met veel verschillende vormen heb gewerkt. Ik heb leerlingen open vragen gesteld, ik heb meerkeuzevragen gesteld en ik heb ze laten werken met een spel. Ook heb ik gewerkt met andere opdrachten dan uit het boek. Ik heb zelf een Quizizz gemaakt, ook de vragen in LessonUp heb ik zelf gemaakt. Door de input van leerlingen vooraf te analyseren wist ik ook beter waar hun behoefte lag en sloot ik voor mijn gevoel beter aan dan als ik gewoon uit het boek gewerkt had.

Wat is zwak vind ik aan mijn lessenserie is dat ik niet heb gedifferentieerd terwijl ik die informatie wel had. Hoewel ik door de input van LessonUp een duidelijk beeld kreeg van welke leerlingen er moeite hadden met de stof, heb ik daar niks mee gedaan. Dat is echt jammer geweest.

Het bloggen over mijn leerproces heb ik uiteindelijk wel als positief ervaren, hoewel ik er van tevoren helemaal geen zin in had. Ik zag er tegenop om mijn leerproces op het web te zetten en ik had ook moeite om te beginnen. Maar toen ik eenmaal in de Flow van het bloggen zat, merkte ik wel hoe prettig het was om te kunnen reflecteren en na te kunnen denken over de ontwikkeling die je als docent meemaakt. Toch heb ik het niet gedurfd mijn blog te delen met andere studenten. Het is namelijk wel een heel persoonlijk iets en ik merkte dat het mij meer vrijheid gaf om te schrijven als ik geen rekening hoefde te houden met mogelijke meelezers. Dat is ook de reden dat ik niet denk dat ik een blog in mijn eigen onderwijs overweeg. Afgezien van het feit dat het veel tijd kost, denk ik dat het mij ook teveel energie gaat kosten om reacties van anderen te verwerken en daarop te reageren. Een goede blog is in mijn ogen niet alleen een monoloog maar ook een dialoog, je moet dus ook discussies kunnen aangaan en daar tijd in willen steken, en hoewel dat heel veel nieuwe inzichten kan opleveren, trekt mij dat niet.

vrijdag 17 april 2020

ADDIE-model - les 5

In les 5 heb ik nagedacht over mijn lessenreeks en heb ik geprobeerd gebruik te maken van het ADDIE-model.

Het ADDIE-model heb ik in mijn vorige post beschreven, ik heb toen ook uitgelegd dat ik het een helder stappenplan vond. Dat vind ik nog steeds. Ik merk echter wel dat ik de eerste stap heel lastig vind, het analyseren van de leersituatie. Ik wil het liefst meteen aan de slag met iets (een nieuwe online tool) dat ik gewoon uit wil proberen en ik vind het moeilijk om dan eerst het probleem te analyseren.

Toch heb ik het zo goed mogelijk geprobeerd. Het viel mij op dat leerlingen uit havo 4 veel moeite hadden met signaalwoorden en de bijbehorende tekstverbanden. De leerlingen moeten 12 tekstverbanden (en de daarbij behorende signaalwoorden) kennen maar ze kennen er vaak maar twee, hooguit drie. Bij elk tekstverband horen minstens vijf verschillende signaalwoorden, de leerlingen kunnen per tekstverband hooguit maar 1 of twee signaalwoord benoemen.

De signaalwoorden en tekstverbanden herkennen en ook kunnen benoemen is belangrijk vanwege twee redenen. Allereerst kan het herkennen van signaalwoorden de leerlingen helpen bij het begrijpen van de tekst. Ook worden er in de toetsen (ook op het centraal examen) zowel reproductievragen, toepassingsvragen als inzichtsvragen met betrekking tot signaalwoorden  en tekstverbanden gesteld.

Het is bijzonder dat de leerlingen zo slecht op de hoogte zijn van de signaalwoorden en tekstverbanden, ze worden immers al in leerjaar 1 behandeld en vervolgens elk jaar herhaald en uitgediept. Kortom, elk schooljaar is het behandelen en het oefenen met signaalwoorden en tekstverbanden een belangrijk onderdeel van de vaardigheid lezen.

Ik wilde graag een les(senreeks) voor signaalwoorden en tekstverbanden voor havo 4 ontwerpen, maar ook hier stak het coronavirus een stokje voor. Vanwege het lange-afstandleren en de lessenplanning met mijn collega´s van havo 4, leek me het niet verstandig, een extra les over signaalwoorden en tekstverbanden in te plannen. Ik was bang dat mijn leerlingen de toch al lastige ´online´-draad zouden kwijtraken.

Het alternatief was een les(senreeks) in klas 1 over signaalwoorden en tekstverbanden. Dit paste beter omdat deze stof ook behandeld moest worden. Het enige probleem was dat ik nog niet op de hoogte was van de kennis van de leerlingen over deze stof, het schetsen van een algemeen beeld was dus lastig. Ik heb dit opgelost door (via LessonUp) een open vraag te stellen over signaalwoorden en tekstverbanden. Deze vraag was aan het einde van een les en ik heb aan de leerlingen duidelijk gemaakt dat ik wilde weten wat ze over dit onderwerp wisten omdat deze stof binnenkort in de les zou komen en ik wilde weten in hoeverre dit al op de basisschool behandeld was. Het viel mij op dat de meeste leerlingen wel wat signaalwoorden kenden, maar weinig wisten over tekstverbanden en ook dat ze niet de koppeling tussen deze 2 begrippen konden maken. Dit las ik overigens ook terug in een artikel van Van Silfhout, Evers-Vermeul en Sanders (2013) waarin duidelijk wordt hoe belangrijk verbindingswoorden voor leerlingen zijn.

Daarna heb ik bedacht dat leerlingen de signaalwoorden moeten kunnen herkennen in een tekst, ze moeten weten welke signaalwoorden bij welke tekstverbanden horen, en als ze een signaalwoord herkennen in een tekst moeten ze weten welk tekstverband er bij hoort. Het leek me handig als ze eerst de theorie zouden horen (ze waren immers niet echt van de theorie op de hoogte had ik door mijn analyse ontdekt) en dan zouden oefenen met signaalwoorden en tekstverbanden op verschillende manieren. Ik wilde ze laten oefenen met meerkeuzevragen (dit had ook een spelelement), herkenningsvragen en open vragen.

Vervolgens heb ik bedacht dat ik voor het aanleren van de theorie, de meerkeuzevragen en de herkenningsvragen het beste met LessonUp kon werken. In dit onlineprogramma zet je makkelijk een presentatie in elkaar en het grote voordeel is dat je makkelijk verschillende tools kunt implementeren. Ik heb gekozen  voor de open vraag, de meerkeuzevraag en het rad (alle namen van leerlingen staan in het rad en zij weten niet wanneer ze aan de beurt zijn). Omdat ik ook graag na afloop van de lessen wilde weten hoe de kennis van de leerling was, heb ik besloten om de paragraaf af te toetsen met een Quizizz, dit is een online tool waarmee je makkelijk een quiz kunt maken. Leerlingen vinden dit vaak leuk omdat er een groot speelelement in zit.

Ik heb twee lessen gewerkt met LessonUp en één les met Quizizz. Na afloop heb ik gevraagd wat de leerlingen er van vonden en zij waren redelijk enthousiast. De lessonUp vonden ze deels prettig omdat het een duidelijke presentatie is ze door de meerkeuzevragen realtime gedwongen worden om actief mee te doen met de onlineles. Nadeel is wel dat sommige leerlingen continu moesten switchen tussen de presentatie op hun telefoon en het beantwoorden van vragen. Eigenlijk moeten leerlingen met zowel een laptop als telefoon werken, dat is prettiger. Over de Quizizz waren de leerlingen enthousiast, in een relatief korte tijd kunnen ze laten zien wat ze weten. Sommige leerlingen vinden het niet prettig omdat ze het lastig vinden dat ze binnen een bepaalde tijd moeten reageren. Andere leerlingen worden juist uitgedaagd door de tijdsdruk.

Het evalueren zal ik bespreken in mijn eindopdracht.

Kortom, ik heb het werken met het ADDIE-model wel als nuttig ervaren omdat je wordt gedwongen tot analyseren voordat je het probleem wilt aanpakken. Tegelijkertijd merkte ik ook dat ik het lastig vond om het probleem klein te houden. Toen ik bezig was met de analyse vroeg ik me af of ik nog extra literatuur moest opzoeken. Tegelijkertijd, vroeg ik me ook af hoeveel literatuur dan nodig was en dat maakte de eerste fase lastig. Ook het evalueren is een belangrijke stap maar wordt in de praktijk denk ik snel overgeslagen vanwege de tijdsdruk. De volgende les komt er al weer aan en dat maakt het stilstaan ingewikkeld.


Literatuur:
Silfhout, G. van, Evers-Vermeul, J., & Sanders, T. (2013). Effecten verbindingswoorden tijdens en na lezen. Levende talen tijdschrift, 14(3), 3/13

vrijdag 10 april 2020

Lesbezoek & observeren n.a.v. ICT-didactisch redeneren

In de module digitale didactiek was het de bedoeling dat we een les zouden bezoeken en daar met behulp van het observatieformulier didactisch redeneren de les zouden beoordelen. Er was een school die we zouden kunnen bezoeken en het bezoek zou op 27 februari zijn. Voor mij was het helaas niet mogelijk die dag mee te gaan omdat ik op vakantie was (ik woon in een andere regio (midden) en daar viel de vakantie een week later).

Ik had vervolgens geregeld dat ik een les bij kon wonen van een oud-collega en daar keek ik erg naar uit aangezien zij bezig is met het ontwikkelen van een leerlijn robotica op het vmbo. Helaas gooide het coronavirus roet in het eten, de geplande afspraak op 17 maart kon niet door gaan. En in verband met de op heel korte termijn nieuwe manier van lesgeven en alle drukte die dat met zich meebracht, was het ook niet mogelijk de afspraak te verplaatsen.

Uiteindelijk heb ik een onlineles van een collega bijgewoond. Via Microsoft Teams (waar we op school mee werken) kon ik makkelijk aan de les deelnemen en zien wat zij met haar leerlingen besprak. Ook heb ik de reacties van de leerlingen kunnen zien in de chat en heb ik kunnen horen wat zij zeiden tijdens de onlineles.

Het is me opgevallen dat de leerlingen allemaal op tijd aanwezig waren voor de les en dat zij actief deelnamen door het stellen van vragen en het reageren via de chat. Het was wel duidelijk dat de chat een dubbele functie had, enerzijds voor het beantwoorden van vragen en tegelijkertijd voor het uiten van commentaar door de leerlingen. Zij maakten regelmatig opmerkingen die niet met de les te maken hadden, dit gebeurde overigens alleen in de chat en niet in de vragen die de docent stelde. Zelf heb ik deze ervaring niet met mijn leerlingen, ik denk dat leerlingen zich vrij voelden om zo te reageren omdat de docent nog weinig ervaring heeft (zij is een stagiare) en niet reageerde op de opmerkingen van de leerlingen.

Iets anders wat me opviel was dat de leerlingen helemaal gewend waren aan de het werken via Microsoft Teams, de docent deelde haar powerpointpresentatie via Teams en de leerlingen konden deze allemaal zien. De leerlingen leken dit goed te kunnen volgen, er waren geen vragen, maar wel positieve reacties op de vraag of ze de opdracht konden zien, en ook of ze deze begrepen. Er werden wel vragen gesteld over de ELO (de elektronische leeromgeving) toen de docent aangaf dat ze de leerlingen daar de beoordelingsrubric konden vinden, gaven een aantal leerlingen aan dat ze moeite hadden met het vinden van documenten op de ELO. De docente loste dit handig op door vervolgens haar scherm te delen met de leerlingen en ze te laten zien waar ze het document konden vinden.

Uit de theorie van ICT-didactisch redeneren heb ik geleerd dat er drie types ICT-gebruik in de lessen zijn, namelijk essentieël, ondersteunend en niet-essentieël (Voogt et al., 2015). Wellicht werpt de coronacrisis ook een nieuw licht op deze theorie want om contact te hebben met leerlingen was het gebruik van een platform (Microsoft Teams) waarbinnen leerlingen met de docent en met elkaar kunnen communiceren wel essentieël. De presentatie die de docent liet zien en het YouTube-filmpje waren ondersteunend, zij gaven de leerlingen duidelijkheid over wat er nu precies van hen verwacht werd. De ELO is ook ondersteunend, hoewel de leerlingen een duidelijk platform nodig hebben waar zij opdrachten kunnen vinden en inleveren is het niet essentieël. Je zou hier ook andere manieren voor kunnen vinden.

De les van mijn  collega heb ik beoordeeld met een observatielijst. Ik ben hierdoor kritischer gaan kijken naar welke vormen van ICT er allemaal in de les gebruikt worden en op wat voor manier deze ingezet werden. Het maakte me ook bewust of het ICT-gebruik essentieël, ondersteunend of niet-essentieël was. Dit heeft me opgeleverd dat er eigenlijk al heel snel van ICT-gebruik sprake is (bijvoorbeeld een YouTube-filmpje) en dat het goed is om kritisch te kijken naar de functie ervan.

De gesprekken met de leerlingen hebben me het inzicht gegeven dat er binnen een klas een grote variatie is van digitale geletterdheid, al te vaak wordt er vanuit gegaan dat kinderen ICT-gebruik allemaal wel snappen en begrijpen terwijl dit lang niet altijd het geval is. Op het moment dat ik de les observeerde hadden de leerlingen er al een maand met Microsoft Teams opzitten en hadden zij geen problemen met het binnenkomen van de onlineles en het volgen van de gedeelde presentatie. Zij gaven echter in de gesprekken aan dat dit de eerste weken niet zo was, velen van hen vonden het lastig om te weten waar nu precies alles zich afspeelde. Met de ELO was dit overigens nog steeds het geval, de leeromgeving werd door leerlingen heel verschillend beleefd en ervaren. Sommige vonden het overzichtelijk en fijn dat ze opdrachten makkelijk terug konden vinden en dat er een centrale plaats was om de producten in te leveren. Andere leerlingen gaven aan dat ze de indeling van de docent onoverzichtelijk vonden en dat ze moeite hadden met het uploaden van producten.

Kortom, ondanks dat het niet mogelijk was om een liveles bij te wonen heb ik toch veel geleerd van de onlineles van mijn collega, heb ik veel interessante reacties van leerlingen gehoord en heb ik geleerd dat kritisch kijken naar een les heel inzichtelijk en leerzaam kan zijn.

Literatuur:
Voogt, J., Braak, J., Heitink, M., Verplanken, L., Jaeger, K., & Fisser, P. (2015). Didactische ICT bekwaamheid nader bekeken. Zwolle: Hogeschool Windesheim. Retrieved from https://ris.utwente.nl/ws/portalfiles/portal/5136960



zondag 8 maart 2020

ADDIE-model les 4

Gisteren hebben we de eerste les gehad over het ADDIE-model, eigenlijk is dat een manier (stappenplan) om docenten te helpen bij het ontwerpen van digitale lessen. Het belangrijkste probleem bij het ontwerpen van digitale lessen is namelijk dat veel docenten heel oplossingsgericht werken. Dit is herkenbaar voor mij, ik doe dit ook. Ik signaleer bijvoorbeeld een probleem, leerlingen hebben moeite met het onthouden van signaalwoorden en dan wil ik dat meteen oplossen door bijvoorbeeld via Quizlet een begrippenlijst van de signaalwoorden aan te maken en leerlingen daarmee aan de slag laten gaan.

Het ADDIE-model dwingt je als docent anders naar het ontwerpen te kijken. De eerste stap die je moet zetten is het analyseren van de leersituatie. Vanuit het PTO (programma ter overgang) heb je algemene leerdoelen per vaardigheid. Je gaat onderzoeken welke leerdoelen niet (of onvoldoende) behaald worden en wat daar de redenen voor zijn. Het is een idee om dan een beeld te hebben van de gemiddelde leerling. Vervolgens ga je je afvragen wat de leerling nodig heeft en hoe technologie ingezet kan worden en waarom technologie een functie kan hebben.

Pas in de tweede stap ga je iets ontwerpen (veel docenten beginnen hier het liefst mee) en dat doe je aan de hand van de leerdoelen en ontwerpprincipes die je opgesteld hebt. Bij het ontwerpen is het belangrijk om rekening te houden met activerende en motiverende leeractiviteiten.

In de derde stap, de ontwikkeling, ga je dus de leeractiviteiten maken, ze passen bij de doelen die je hebt vastgesteld in de tweede stap en ze geven antwoord op de vragen die je je in stap 1 gesteld hebt.

In de vierde stap, de implementatie, ga je wat je bedacht en gemaakt hebt uitproberen in de klas. Het is heel belangrijk om na afloop van de les of lessenreeks de leerlingen om feedback te vragen, dit heb je namelijk nodig voor de laatste stap.

In de vijfde stap ga je evalueren in hoeverre de activiteiten die je bedacht en gemaakt hebt hebben geholpen bij het leren van de leerlingen. Hiervoor is het belangrijk dat je de meningen van de leerlingen goed bekijkt en analyseert en dat je reflecteert op wat de verschillen zijn tussen wat je van tevoren bedacht hebt en wat de uitkomsten zijn.

Er is overigens nog een laatste stap, namelijk het delen van wat je geleerd hebt. Dit kan op veel verschillende manieren (via een blog, Facebook of gewoon een gesprek) en is een belangrijke stap. Door te delen vermenigvuldig je je kennis op vele fronten, als collega´s met jouw idee aan de slag gaan, krijg je weer nieuwe input en kun je je ideeën verfijnen en verbeteren.

Het ADDIE-model is besproken in de les en ik vond het een fijn en overzichtelijk stappenplan. Mijn manier van leren is dat ik het eerst goed moet doorgronden en dat doe ik door de theorie te lezen, dat heb ik dus gedaan. Ook werkt het voor mij als ik de theorie samenvat, dat heb ik net gedaan hier in mijn blog. Als laatste is het belangrijk dat ik het toepas, dus gebruik, dat ga ik doen als ik  de les(senserie) voor het eindproduct van digitale didactiek ga ontwikkelen.

zaterdag 15 februari 2020

Carroussel & redeneren

Tijdens de eerste bijeenkomst van digitale didactiek hebben we een digitale lescarrousel gedaan. Dit hield in dat het mogelijk was om bij drie verschillende docenten aan tafel te komen en te luisteren naar de ideeën die zij hadden om in je lessen te werken met digitale didactiek.

De eerste tafel waar ik aansloot, was die van Maartje Visser. Zij gaf inspirerende voorbeelden over het gebruiken van Socrative, Scaffolds voor schrijven, Writewellapp.com en Screen-cast-o-matic (en nog andere voorbeelden specifiek voor Engels). Hoewel ik Socrative al wel kende, inspireerde het me om er weer mee eens te experimenteren in de klas. Ik was het een beetje vergeten. Ook de Scaffolds voor schrijven en writewellapp vond ik interessant omdat ik die wellicht kan gebruiken (als ik ze een beetje aanpas' in mijn lessen Nederlands.

De tweede tafel waar ik plaatsnam, was die van Josefien Sweep. Zij vertelde ons over learningapps. Dat is een onlineplatform waar je heel veel verschillende tools kunt vinden waarmee je makkelijk en snel verschillende spelletjes en testjes kunt maken die je kunt gebruiken in je lessen. Het leuke was dat ik de spelletjes herkende, ik had er immers mee gewerkt in haar colleges ´Algemene Taalwetenschap` en toen had ik me al afgevraagd waar die vandaag kwamen. Vooral het eenvoudige karakter en de variëteit van de spelletjes spraken me erg aan.

De laatste tafel was die van Ferry Haan, een economiedocent. Hij vertelde ons over het aangepaste programma economie op zijn school. Leerlingen konden op zijn school veel zelfstandig aan de slag vanwege het digitale karakter van het programma economie. Het was mogelijk voor hen om (een aantal)onlinelessen te volgen en ook veel opdrachten digitaal te maken, ook konden economiedocenten digitaal feedback geven op het gemaakte werk. Hoewel het zeer indrukwekkend was wat er op zijn school gebeurde, kon ik zelf niet concreet met de informatie aan de slag. Daarom had ik aan deze ronde wat minder.

Kortom, als ik terugkijk op de rondes, denk ik dat de informatie van Josefien voor mij het meest interessant is. Allereerst is de informatie nieuw en verder spreekt vooral het eenvoudige karakter van deze tools mij aan. Ook zie ik bij deze learningapps veel mogelijkheden hoe ik deze kan gebruiken in mijn lessen. Verder vind ik het een fijn idee dat als ik eenmaal iets gemaakt heb, ik dit jaarlijks kan gebruiken. Bovendien denk ik dat door de variëteit van de spelletjes en testjes ik een manier kan vinden om digitale didactiek regelmatig in mijn lessen toe te passen.


zondag 9 februari 2020

Introductie-opdracht Digitale Didactiek


Als het goed is, heb je net je eigen naam gelezen, ik heb dit, hopelijk goed werkende trucje, geleerd nadat ik de thread van Martijn Dozy gelezen had.
Mijn naam is Barbara van Koert en ik volg sinds dit jaar de masteropleiding Nederlands in deeltijd. Ik werk op het Bonaventuracollege in Leiden, afdeling Burggravenlaan.
Op mijn vorige school werkte ik met iPads en heb ik veel ervaring opgedaan met apps zoals: Quizizz, Quizlet, Socrative, Kahoot, Puppetmaster en nog veel meer. Ook werkte ik toen met de online methode Nieuw Nederlands. De voordelen van het werken met de iPad vond ik dat je, zeker met bepaalde onderdelen van je les (bijv. grammatica en/of spelling), snel kon zien welke leerlingen achterbleven en meer uitleg of oefening nodig hadden. De grote nadelen vond ik echter de enorme afleiding van de iPad en de "iPadmoeheid"; regelmatig gaven leerlingen aan liever gewoon van papier te werken.
Op het Bona  worden geen iPads of andere devices in de lessen gebruikt, als is het mogelijk laptops te reserveren. Op het gebied van leren met ICT gebeurt er op school nog heel weinig. Ik werk wel af en toe met apps (Quizizz, Quizlet ) en Lesson up, al is dit niet altijd mogelijk omdat het wifi soms hapert. In de vaksectie gebeurt er niks met ICT op een incidentele Kahoot na. 
Nu ik weinig met ICT werk, merk ik ook dat mijn kennis begint achter te lopen. Ik zou graag willen weten hoe je ICT handig (en zonder al te veel tijd) kunt inzetten om leerlingen te monitoren zodat je ze kunt helpen beter te leren. Ook zou ik graag ICT willen gebruiken om mijn lessen gevarieerder te maken.
Ik denk dat ik al behoorlijk ICT-bekwaam ben doordat ik al wel veel met apps en online applicaties heb gewerkt in mijn lessen. Ook heb ik in een ver verleden leren programmeren in Pascal en heb ik een aardig deel van de revolutie van de computer (mijn eerste was een Commodore 128 ;-) ) meegemaakt. Waar ik wel tegenaan loop is dat ik vaak 'vluchtig' werk met apps, ik vind het lastig om er een vast onderdeel van mijn lessen van te maken. Ik probeer graag nieuwe dingen uit, maar vind het vervolgens lastig er vaker mee te werken. Dus ik hoop na de Module Digitale Didactiek manieren te hebben gevonden / geleerd om ICT een vaste plek binnen mijn lessen te kunnen geven.